De Algemene Rekenkamer. Nou en?

 
Maandenlang naar uitgekeken en gisteren was het dan zover. De Algemene Rekenkamer voltooide het eerste van twee rapporten over de vraag van de Tweede Kamer wat de achterliggende oorzaken zijn van problemen met ICT-projecten bij de rijksoverheid en wat de kwaliteit is van de informatie die over dergelijke projecten aan de (controlerende) Tweede Kamer wordt verstrekt.
De conclusies zijn eigenlijk een opsomming van de dont’s als het gaat om ICT-projecten. Zorg dat je weet wat je eigenlijk wilt automatiseren, denk niet dat een slecht proces beter wordt als je het automatiseert, ga niet halverwege de specificaties veranderen, wacht je voor het steeds maar weer toevoegen van ‘uitzonderingen’, wees je bewust van het effect van het project op de organisatie van het werk, werk niet met politieke deadlines en doe niet net alsof je er verstand van hebt als dat niet zo is.
Bij de aanbevelingen wordt gewezen op het belang van een goede onderbouwing van projecten, op de noodzaak van een heldere aansturing en gepleit voor de mogelijkheid van heroverweging van lopende projecten. Dat zijn allemaal waarheden als een koe, maar – met respect – ook nogal open deuren. Natuurlijk moet dat allemaal, maar waarom gebeurt het dan niet? Op dat punt laat het rapport het helaas een beetje afweten.
Opmerkelijk is de kanttekening die in het rapport wordt geplaatst bij de financiële omvang van de veronderstelde schade als gevolg van geheel of gedeeltelijk mislukte ICT-projecten van de overheid. Het in publicaties genoemde bedrag van 4 á 5 miljard euro wordt door de Algemene Rekenkamer naar de prullenmand verwezen met behulp van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek over 2004, waaruit zou blijken dat de overheid als geheel slechts 2,1 miljard aan ICT heeft uitgegeven, waarvan het rijk slechts 0,5 miljard.
Wie gegevens van het CBS hanteert als het om de ICT-sector gaat begeeft zich echter op glad ijs. Het CBS worstelt al jaren met de cijfers van en over die bedrijfstak. De instelling hanteert tot op de dag van vandaag bijvoorbeeld de aanduiding ‘computer service bureaus’ voor wat in de praktijk system integrators zijn, weet niet goed raad met het telecom element in zijn statistieken en negeert domweg de (omzet)cijfers van de koepel van ICT-bedrijven in Nederland,  ICT~Office, die een heel ander beeld geven. Gekker nog wordt het als je de ervaringen van de vorig jaar aangestelde Chief Procurement Officer voor de rijksoverheid erbij betrekt. Die is nog bezig aan een inventarisatie van de omvang van de ICT-uitgaven van het rijk, maar zei in oktober in een interview in Digitaal Bestuur: “ICT is voor de rijksoverheid na het inlenen van personeel de grootste inkooppost. Ik schat dat er zo’n twee miljard per jaar in omgaat”. De vraag is dus hoe het kan dat de Algemene Rekenkamer denkt het af te kunnen doen met slechts één rammelende bron?
Ter verdediging van de wetenschappers geldt bovendien dat ze de ‘vervolgschade’ voor de maatschappij hebben meegerekend en dat hun sommen niet alleen betrekking hadden op het rijk alleen, maar op de overheid als geheel. Je kunt overigens op goede gronden ook beweren dat de misinvesteringen van de overheid jaarlijks ‘slechts’ zo’n 350 miljoen euro bedragen.
Het rapport heeft helaas niet de kans gegrepen om – daar waar het gaat om de uit de hand lopende complexiteit van ICT-projecten – ook vragen te stellen bij het gedrag van de Tweede Kamer als mede wetgever en controleur. Is in die gelederen eigenlijk geïnvesteerd in ICT kennis en kunde om de controlerende taak waar te kunnen maken? Waarom heeft ook de kamer geen oog voor de effecten op ICT-projecten en uitvoerende werkprocessen van het zoveelste amendement. Wat is eigenlijk de kwaliteit van de vraagstelling en argumentatie over ICT-projecten van de kant van de volksvertegenwoordiging? Als er een parlementair onderzoek komt mag dat punt vooral niet worden vergeten.
Zou het bovendien niet voor de hand hebben gelegen ook eens te kijken naar de wijze waarop ICT projecten van de overheid (moeten) worden aanbesteed. De procedures die daarbij moeten worden gevolgd zijn – als het project een zekere mate van complexiteit heeft – een recept voor ongelukken en vaak de oorzaak van ontsporingen onderweg.
 
 
De rekenkamer heeft ook de kans laten liggen om de retorische vraag aan de orde te stellen hoe de erfenis van Thorbecke zich eigenlijk verhoudt tot een adequate ICT-governance, of wordt dat bedoeld met de opmerking in het rapport dat “de ministers ( bedoeld is ministers en ambtenaren) de sleutel in handen hebben om de spiraal waarin projecten te complex worden te doorbreken”? Een pleidooi voor het bestuderen van de Clinger Cohen Act is mooi, maar de overheid in de VS zit toch echt anders in elkaar dan de gedecentraliseerde eenheidsstaat die Nederland heet en waar elke overheidslaag en alle zelfstandige bestuursorganen hun autonomie boven alles koesteren. Dat maakt het mogelijk dat – zoals het rapport meldt – “het bij de overheid vaker dan bij het bedrijfsleven voorkomt dat een project doormoddert in plaats van wordt gestopt wanneer dat nodig is”. De vraag is alleen: hoe stop je zoiets? Ministers zijn net mensen en dat geldt ook voor hun hoge ambtenaren. Je bent toch liever zo belangrijk mogelijk, je gaat het liefst over zoveel mogelijk, je overschat de lengte van je eigen polstok, je merkt pas laat hoe zwaar de hoeveelheid hooi op je vork is en zelfs als er al van alles mis gaat roep je dat er veel vooruitgang wordt geboekt! Zoals directeur generaal Jenny Thunnissen van de Belastingdienst in een interview in de NRC van woensdag 28 november. Op de opmerking “en u bent ambtelijk eindverantwoordelijk voor alle problemen”is haar antwoord: “Ja, nou en?”.Tegen zulk plichtsbesef zijn geen tien rapporten van de Algemene Rekenkamer opgewassen.
ook gepubliceerd op www.digitaalbestuur.nl
 
 
Sitebouw en MetaCMS door WebTeam ISP