|
Het zuur van de waarheid
De commissie Wallage/Postma lijkt vriendelijk als het gaat om de aanbevelingen die worden gedaan en is tamelijk vilein in het beschrijven van de stand van zaken bij de e-overheid. Er is onvoldoende samenhang, er zijn grote verschillen in snelheid en het gevoel van urgentie ontbreekt, aldus de commissie. Nee, dat is geen ‘trouvaille’ van de commissie. Die merkt nuchter op dat ‘praktisch alle beleidsdocumenten over e-overheid wijzen op desastreuze uitwerking van falend ICT-beleid op het imago van de overheid”.
En wie zijn toch die hoge ambtenaren waarmee de commissie sprak en waarvan wordt opgemerkt: “de door ons geïnterviewde ambtenaren spraken bagatelliserend over vertragingen op individuele projecten en ontkenden de noodzaak van sturing op de e-overheid als samenhangend geheel”?
Wie nieuwsgierig is kan het antwoord vinden in bijlage drie van het rapport “Het uur van de waarheid” .Daar tref je een lijst aan van ambtenaren die – zonder uitzondering – de afgelopen jaren hoofdrolspelers waren bij alle pogingen om de e-overheid van de grond te tillen. Wat zij zelf van hun slechte kerstrapport vinden komen we niet te weten, net zo min als de inhoud van de gevoerde gesprekken. De transcripties daarvan zijn niet openbaar, maar ze liggen Wallage en Postma kennelijk zwaar op de maag.
Dat is misschien ook de verklaring voor de aanbeveling om te komen tot een nationaal urgentie programma voor de e-overheid en de samenstelling en uitvoering daarvan in handen te geven van een ministeriële commissie onder leiding van de minister president of van een van de vice premiers. Kennelijk heeft de commissie onvoldoende vertrouwen in de daadkracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties dat tot op dit moment de kar trekt. Dat is wel een beetje zuur voor staatssecretaris Ank Bijleveld die als eerste bewindspersoon na het vertrek van Van Boxtel de e-overheid weer echt serieus neemt en die juist graag meer sturing en een strakkere regie wil, maar daarbij de gevangene is van haar collega ministers en van nog drie andere bestuurslagen met daarbij een hoofdrol voor de VNG. Wallage/Postma gaan er vanuit dat de kansen van de e-overheid toenemen als je er een kabinetszaak van maakt, maar heeft JP eigenlijk wel tijd en is het wel gelukkig om Rouvoet ( problemen elektronisch kinddossier) of Bos ( die geen geld meer in het gemeenschappelijk beheer van ICT wil stoppen) dan maar tot aanjager te bombarderen? Het is moeilijk voor te stellen dat het kabinet dit advies van de commissie op deze wijze zal opvolgen.
Een nationaal urgentie programma dat helder maakt dat niet alles tegelijk kan en hoeft en dat aangeeft welke zaken de eerst komende jaren prioriteit hebben zal door iedereen met applaus worden begroet. In de praktijk betekent dat veel aandacht voor het opbouwen van een goede e-infrastructuur waarmee de diverse overheden – achter de schermen – met elkaar gegevens uitwisselen en voor het veranderen van de ambtelijke werkprocessen bij de overheid. Dat oogt niet spectaculair, maar dat is wel belangrijker dan het gedecentraliseerd optuigen van e-dienstverlening waarmee slechts de onderlinge verschillen worden benadrukt. En het geld, dat blijft natuurlijk wél een probleem, zeker als de afspraken die daarover in 2006 zijn gemaakt voortdurend toch weer ter discussie worden gesteld, zowel door de centrale als de decentrale overheid.
|